Boek één
Van mijn grootvader Verus¹ leerde ik goede zeden en beheersing van mijn temperament.
Van de reputatie en herinnering aan mijn vader² bescheidenheid en een mannelijk karakter.
Van mijn moeder³ vroomheid en weldadigheid, en onthouding, niet alleen van slechte daden, maar ook van slechte gedachten; en verder, eenvoud in mijn levenswijze, ver verwijderd van de gewoonten van de rijken.
Van mijn overgrootvader⁴ niet veel openbare scholen te hebben bezocht, en goede leraren thuis te hebben gehad, en te weten dat men aan dergelijke dingen rijkelijk geld moet besteden.
Van mijn opvoeder, niet aanhanger te zijn van de groene noch van de blauwe partij bij de spelen in het Circus, noch een voorstander van de Parmularius of de Scutarius bij de gladiatorengevechten; van hem leerde ik ook verdraagzaamheid voor inspanning, en behoefte aan weinig, en met mijn eigen handen te werken, en mij niet in andermans zaken te mengen, en niet geneigd te zijn luisteren naar laster.
Van Diognetus⁵ me niet met onbelangrijke zaken bezig te houden, en geen geloof te schenken aan wat wonderarbeiders en goochelaars zeiden over bezweringen en het verdrijven van demonen en dergelijke dingen; en geen kwartelhoenders voor gevechten te fokken, en mij niet hartstochtelijk aan zulke dingen over te geven; en vrijheid van meningsuiting te verdragen; en vertrouwd te raken met de filosofie; en eerst een leerling van Bacchius te zijn, vervolgens van Tandasis en Marcianus; en in mijn jeugd dialogen te schrijven; en een bed van planken en schapevacht verlangd te hebben, en alles wat verder bij de Griekse discipline hoort.
Van Rusticus⁶ kreeg ik de indruk dat mijn karakter verbetering en training nodig had; en van hem leerde ik mij niet door sophistische naijver mee te laten slepen, noch me met speculatieve schrijverijen bezig te houden, noch kleine voordrachten ter vermaaning uit te spreken, noch mijzelf voor te doen als iemand die veel discipline beoefent, of weldadige daden verricht om indruk te maken; en me van welsprekendheid, poëzie en fijn geschrijf te onthouden; en niet in mijn buitenkleding door het huis te lopen, noch dergelijke dingen te doen; en mijn brieven met eenvoud te schrijven, zoals de brief die Rusticus van Sinuessa aan mijn moeder schreef; en wat betreft degenen die mij door woorden hebben beledigd, of mij onrecht hebben aangedaan, gemakkelijk bereid te zijn vrede te sluiten en verzoend te worden, zodra zij bereidheid tot verzoening hebben getoond; en aandachtig te lezen, en niet tevreden te zijn met een oppervlakkig begrip van een boek; en niet voorbarig instemming te geven aan degenen die veel spreken; en ik ben hem verschuldigd dat ik kennis heb gemaakt met de leerstellingen van Epictetus, die hij mij uit zijn eigen verzameling mededeelde.
Van Apollonius⁷ leerde ik vrijheid van wil en onwankelbare standvastigheid van doel; en naar niets anders te kijken, zelfs niet voor een moment, behalve naar het verstand; en altijd hetzelfde te zijn, in scherpe pijnen, bij het verlies van een kind, en in lange ziekte; en duidelijk in een levend voorbeeld te zien dat dezelfde man zowel het meest vastberaden als meegaand kan zijn, en niet nurkkig bij het geven van zijn onderwijs; en voor mijn ogen een man te hebben gehad die duidelijk zijn ervaring en zijn vaardigheid in het uiteenzetten van filosofische principes als het geringste van zijn verdiensten beschouwde; en van hem leerde ik hoe ik van vrienden wat als gunsten worden beschouwd kon ontvangen, zonder daardoor vernederd te worden of eraan voorbij te gaan.
Van Sextus⁸ een welwillende gezindheid, en het voorbeeld van een gezin bestuurd op vaderlijke wijze, en het idee van leven in overeenstemming met de natuur; en waardigheid zonder gesteltheid, en goed voor de belangen van vrienden zorg dragen, en onwetende personen verdragen, en degenen die zonder overweging meningen vormen: hij had het vermogen zich gemakkelijk aan iedereen aan te passen, zodat omgang met hem aangenamer was dan welke vleierij ook; en tegelijkertijd werd hij zeer vereerd door degenen die met hem omgingen: en hij had het vermogen zowel de noodzakelijke levensregels te ontdekken als op een intelligente en methodische manier in te richten; en hij toonde nooit toorn of enig ander hartstocht, maar was volkomen vrij van hartstocht, en tegelijkertijd vol affectie; en hij kon instemming betuigen zonder luidruchtige pronkerij, en hij bezat veel kennis zonder bezwaar.
Van Alexander 9 de grammaticus leerde ik mij te onthouden van kritiekzucht, en niet op verwijtende toon degenen te berispen die barbaarse, grammaticaal foute of vreemd klinkende uitdrukkingen gebruikten; maar handig juist die uitdrukking in te voeren die gebruikt had moeten worden, en wel door middel van antwoord of bevestiging, of door samen met hem onderzoek in te stellen naar de zaak zelf, niet naar het woord, of door enig ander passend voorstel.
Van Fronto 10 leerde ik wat afgunst, dubbelhartigheid en huichelarij in een tiran zijn, en dat over het algemeen degenen onder ons die Patricii genoemd worden eerder weinig vaderlijke genegenheid hebben.
Van Alexander de Platonicus leerde ik niet frequent, noch zonder noodzaak, tot iemand te zeggen of in een brief te schrijven dat ik geen tijd heb; noch voortdurend het verzuim van plichten tegenover degenen met wie ik leef te verontschuldigen door dringende bezigheden aan te voeren.
Van Catulus 11 leerde ik niet onverschillig te zijn wanneer een vriend kritiek uit, zelfs al zou hij zonder reden kritiek uitten, maar hem te pogen in zijn gewone gemoedstoestand terug te brengen; en gereed te zijn goed van leraren te spreken, zoals van Domitius en Athenodotus wordt verteld; en mijn kinderen oprecht lief te hebben.
Van mijn broer 12 Severus leerde ik mijn verwanten lief te hebben, waarheid lief te hebben en rechtvaardigheid lief te hebben; en door hem leerde ik Thrasea, Helvidius, Cato, Dion en Brutus 13 kennen; en van hem ontving ik het ideaal van een staatsvorm waarin dezelfde wet voor allen geldt, een staatsvorm beheerd met betrekking tot gelijke rechten en gelijke vrijheid van meningsuiting, en het ideaal van een koninklijk gezag dat vooral de vrijheid van de onderdanen respecteert; van hem leerde ik ook volharding en onwankelbaarheid in mijn ijver voor de filosofie; en een gezindheid om goed te doen en anderen bereidwillig te geven en goede hoop te koesteren, en te geloven dat ik door mijn vrienden bemind ben; en aan hem nam ik waar dat hij zijn meningen niet verborgen hield tegenover degenen die hij veroordeelde, en dat zijn vrienden niet hoefden te gissen wat hij wel of niet wenste, maar dat het heel duidelijk was.
Van Maximus 14 leerde ik zelfbeheersing en mij door niets te laten afleiden; en opgerustheid in alle omstandigheden, ook in ziekte; en een juiste mengeling in het morele karakter van zachtheid en waardigheid, en te doen wat mij voorgesteld werd zonder te klagen. Ik nam waar dat iedereen geloofde dat hij dacht zoals hij sprak, en dat hij in alles wat hij deed nimmer kwade bedoelingen had; en hij vertoonde nooit verbazing en verrassing, en was nooit in haast, en stelde nooit iets uit, noch was hij ooit in verwarring of ontmoedigd, noch lachte hij ooit om zijn ergernis te verbergen, noch was hij enerzijds ooit hartstochtelijk of wantrouwig. Hij was gewoon zich welwillend in te stellen en was bereid te vergeven, en was vrij van alle onwaarheid; en hij vertoonde het uiterlijk van een man die zich niet van het rechte pad kon laten afleiden, in plaats van van een man die verbeterd was. Ik nam ook waar dat niemand ooit kon denken dat hij door Maximus veracht werd, noch zich ooit zou durven wanen beter te zijn dan hij. Ook bezat hij de kunst op aangenaam wijze humoristisch te zijn.
Bij mijn vader heb ik mildheid van karakter waargenomen, en onwrikbare vastberadenheid in zaken die hij na rijpe overweging had bepaald; en geen ijdelheid in hetgeen wat men eer noemt; en een liefde voor arbeid en volharding; en een bereidwilligheid om naar hen te luisteren die iets voor het algemeen welzijn in te brengen hadden; en onwankelbare billijkheid in het toekennen aan ieder wat zijn toekomt; en een uit ervaring verkregen kennis van de gelegenheden voor daadkrachtig handelen en voor terugtrekking. En ik heb waargenomen dat hij alle hartstocht voor jongens had overwonnen; en hij beschouwde zichzelf niet hoger dan enige andere burger; en hij ontsloeg zijn vrienden van alle verplichting om met hem te dineren of hem noodzakelijk te vergezellen wanneer hij uitging, en zij die hem om dringende omstandigheden niet hadden kunnen bijstaan, vonden hem altijd dezelfde. Ik nam ook waar zijn gewoonte van zorgvuldige onderzoeker in alle zaken van beraad, en zijn standvastigheid, en dat hij zijn onderzoek nooit staakte doordat hij tevreden was met verschijningen die zich eerst voordoen; en dat zijn gezindheid was zijn vrienden te behouden, en niet spoedig moe van hen te worden, noch buitensporig in zijn genegenheid; en op alle ogenblikken tevreden te zijn en opgewekt; en dingen van verre af te voorzien, en voor de kleinigheden zonder opsmuk zorg te dragen; en onmiddellijk populair gejuich en alle vleierij in te tomen; en steeds wakzaam te zijn over de dingen die nodig waren voor het beheer van het rijk, en een goed rentmeester van de uitgaven te zijn, en geduldig de blaam die hij daarvoor onderging te verdragen; en hij was noch bijgelovig met betrekking tot de goden, noch trachtte hij zich bij mensen in te likker door geschenken of om hen naar de zin te spreken, of door het volk te vleien; maar hij toonde nuchterheid in alles en vastheid, en nooit enig laag gedachte of daad, noch liefde voor het nieuwe. En de dingen die op enige wijze tot het gemak van het leven bijdragen, en waarvan fortuin een overvloedig voorraaad geeft, gebruikte hij zonder arrogantie en zonder zich te verontschuldigen; zodat wanneer hij ze had, hij ervan genoot zonder affectatie, en wanneer hij ze niet had, hij ze niet verlangde. Niemand kon ooit van hem zeggen dat hij een sophist of een verwend speels slaafje of een pedant was; maar iedereen erkende hem voor een man rijp, volmaakt, boven vleierij verheven, bekwaam om zijn eigen en andermans zaken te bestieren. Bovendien eerbiedigde hij degenen die waren ware filosofen, en hij vereet degenen niet die filosofen schenen te zijn, noch liet hij zich door hen gemakkelijk leiden. Hij was ook gemakkelijk in gesprek, en maakte zichzelf aangenaam zonder enige grievende affectatie. Hij zorgde op redelijke wijze voor de gezondheid van zijn lichaam, niet als iemand die zeer aan het leven gehecht was, noch uit acht op uiterlijk voorkomen, noch weer op roekeloze wijze, maar zodat hij door zijn eigen aandacht zeer zelden behoefte had aan de kunst van de geneesheer of aan geneesmiddelen of uitwendige toepassingen. Hij was zeer bereid zonder nijd af te staan aan hen die enig bijzonder talent bezaten, zoals dat van welsprekendheid of kennis van wet of zeden, of iets anders; en hij verleende hun zijn hulp, opdat elk naar zijn verdiensten eer zou genieten; en hij handelde steeds overeenkomstig de instellingen van zijn land, zonder enige affectatie daarvan te tonen. Verder was hij niet geneigd tot verandering noch wispelturig, maar hij hield van in dezelfde plaatsen te blijven en zich met dezelfde dingen bezig te houden; en nadat zijn aanvallen van hoofdpijn voorbij waren, kwam hij onmiddellijk fris en krachtig tot zijn gewone bezigheden. Zijn geheimen waren niet maar zeer weinig en zeer zeldzaam, en deze slechts over openbare zaken; en hij toonde voorzichtigheid en zuinigheid in de inrichting van openbare schouwspelen en de bouw van openbare gebouwen, zijn gaven aan het volk, en in dergelijke dingen, want hij was een man die zag wat gedaan diende te worden, niet naar de faam die een mens door zijn daden verwerft. Hij nam het bad niet op ongeschikte uren; hij was niet geneigd tot het bouwen van huizen, noch nieuwsgierig naar wat hij at, noch naar de textuur en kleur van zijn kleding, noch naar de schoonheid van zijn slaven. Zijn kleding kwam uit Lorium, zijn villa aan de kust, en uit Lanuvium in het algemeen. Wij weten hoe hij zich jegens de tolgaarder te Tusculum gedroeg die zijn excuses aanbood; en aldus was heel zijn gedrag. Er was in hem niets ruw, noch onverzoenlijk, noch geweldig, noch, zoals men zou kunnen zeggen, iets tot het zweten toe gedreven; maar hij onderzocht alle dingen afzonderlijk, alsof hij overvloed van tijd had, en zonder verwarring, op ordelijke wijze, krachtig en standvastig. En hetgeen van Socrates wordt overgeleverd, kon op hem worden toegepast, dat hij in staat was zich zowel van dingen te onthouden als ervan te genieten, waarvan velen te zwak zijn om zich daarvan af te houden, en niet zonder overdaad ervan kunnen genieten. Maar sterk genoeg te zijn om het ene te dragen en het ander nuchter te beoefenen, is het kenmerk van een man die een volmaakt en onoverwinbaar ziel bezit, zoals hij dat toonde in de ziekte van Maximus.
Aan de goden ben ik verschuldigd dat ik goede grootvaders, goede ouders, een goede zuster, goede leraren, goede metgezellen, goede verwanten en vrienden heb gehad – bijna alles wat goed is. Bovendien dank ik de goden dat ik niet overhaast tot enig kwaad tegen hen ben verleid, hoewel ik een aard had die, als de gelegenheid zich zou hebben voorgedaan, mij tot zoiets zou kunnen hebben bewogen; maar door hun gunst was er nooit zo'n samenloop van omstandigheden dat ik op de proef werd gesteld. Verder ben ik de goden dankbaar dat ik niet langer werd opgevoed bij de bijzit van mijn grootvader, dat ik de bloem van mijn jeugd bewaarde, en dat ik mijn mannelijkheid niet voortijdig beproefde, maar dit moment zelfs uitstelde; dat ik onder een heerser en een vader kwam die al mijn trots kon wegnemen, en mij tot de kennis bracht dat het een man mogelijk is in een paleis te leven zonder wachters of geborduurde kleding, of fakkels en standbeelden en dergelijke vertoon te verlangen; maar dat het in het vermogen van zo'n man ligt zich zeer dicht bij de wijze van een particulier persoon te gedragen, zonder daarom laager in gedachten of slordiger in handelen te zijn met betrekking tot wat uit het openbaar belang moet worden gedaan op een wijze die een heerser betaamt. Ik dank de goden dat zij mij zo'n broer hebben gegeven die door zijn zedelijk karakter mij kon aansporen tot waakzaamheid over mijzelf, en die mij tegelijk aangenaam was door zijn eerbied en genegenheid; dat mijn kinderen niet dom of lichamelijk misvormd waren; dat ik niet meer vooruitgang boekte in welsprekendheid, poëzie en andere vakken, waarin ik misschien volledig zou zijn opgegaan, als ik had gezien dat ik daarin vorderingen maakte; dat ik haaste om degenen die mij hadden grootgebracht in de eereplaats te stellen die zij schenen te verlangen, zonder hen met hoop af te schepen dat ik dit later zou doen, omdat zij toen nog jong waren; dat ik Apollonius, Rusticus, Maximus heb gekend; dat ik duidelijke en herhaalde indrukken heb ontvangen over het leven volgens de natuur, en wat voor een leven dat is, zodat, voor zover het van de goden afhing, en hun gaven, en hulp, en ingevingen, niets mij verhinderde onmiddellijk volgens de natuur te leven, hoewel ik er nog steeds tekortkom door mijn eigen schuld, en doordat ik de vermaning van de goden niet in acht neem, en bijna zou kunnen zeggen hun rechtstreekse instructies; dat mijn lichaam zo lang in zo'n manier van leven standhield; dat ik noch Benedicta noch Theodotus aanraakte, en dat ik, nadat ik in amoureuze hartstochten was vervallen, genezing vond; en dat ik, hoewel ik vaak ontevreden met Rusticus was, niets deed waarvan ik reden had om te berouwen; dat mijn moeder, hoewel het haar lot was jong te sterven, de laatste jaren van haar leven bij mij doorbracht; dat ik, wanneer ik enige man in zijn nood wilde helpen, of bij gelegenheid, nooit werd gezegd dat ik niet de middelen had dit te doen; en dat dezelfde noodzaak mij nooit is overkomen iets van een ander te moeten ontvangen; dat ik zo'n vrouw heb, zo gehoorzaam, zo liefdevol en zo eenvoudig; dat ik veel goede meesters voor mijn kinderen had; en dat remedies mij door dromen zijn geopenbaard, zowel andere als tegen bloedspuwen en duizeligheid …; en dat ik, toen ik neiging tot filosofie voelde, niet in de handen van enige sofist viel, en dat ik mijn tijd niet verspilde aan geschiedschrijvers of aan het oplossen van syllogismen, of mij bezighield met het onderzoeken van verschijnselen aan de hemel; want al deze dingen vereisen de hulp van de goden en het fortuin.
Bij de Quadi aan de Granua.

